woensdag, juli 1st, 2009...11:41
Nieuw oud schrijven
Goed, we hebben de iPhone, Boxee, Twitter, API’s en RSS Feeds. Allemaal technische hulpmiddelen die de journalistiek in de vaart der volkeren meestuwen. Maar wat kunnen we doen om de journalistiek qua stijl te vernieuwen? Pleidooi voor een terugkeer naar New Journalism, Gonzo en Participative Journalism.
door Jan-Albert Hootsen
Gisteren werden de meest recente oplagecijfers van gedrukte media bekendgemaakt door het Holland Oplage Instituut (HOI). Laat ik er niet te veel woorden aan besteden: het gaat ronduit slecht. Wat te doen? Wie een kijkje op Twitter neemt, ziet dat er qua technologische ontwikkelingen veel wordt nagedacht en uitgeprobeerd. Alles van iPhone-applicaties, Boxee, Twitterprogrammatuur tot de wildste variaties op weblogs worden de arena in geworpen als oplossing voor de malheur van de journalistiek.
Wat ik af en toe mis aan de discussie, is het tekstuele aspect. Uit een onderzoek van Nielsen bijkt dat Amerikaanse jongeren veel minder snel meegaan met de technologische ontwikkelingen in het mediagebruik dan de fervente 2.0-adepten zouden willen: Nieuwe Media is vooralsnog niet bezig kabeltelevisie en gedrukte media het verdomhoekje aan het indrukken. Ik denk daarom dat we eens moeten gaan kijken of we ook eens innovatieve, nieuwe soorten tekst kunnen schrijven, die door toon en stijl voor meer schwung zouden kunnen zorgen bij de gevestigde media. Wat kunnen we vernieuwen?
‘Nieuwe’ oude journalistiek
Antwoord op de vraag is simpel. Dat hoeven we niet. Het is namelijk decennia geleden al voor ons gedaan, en we maken er veel te weinig gebruik van.
Laten we teruggaan in de tijd, naar een periode die voor de journalistiek al bijna tot de oertijd behoort: de jaren vijftig, zestig en zeventig van de vorige eeuw. We moeten kijken naar auteurs die in die periode als geen ander hun stempel hebben gedrukt op journalistiek en wiens lessen zelfs in het Twitter-tijdperk actueel en relevant zijn. Truman Capote, Hunter S. Thompson en Ryszard Kapuscínski. Respectievelijk waren zij de evangelisten van New Journalism, Gonzo Journalism en Participative Journalism.

Truman Capote
Truman Capote: creatief en authentiek
Waarom is dit belangrijk? Laten we even kort ons geheugen opfrissen en kijken wat die begrippen ook alweer betekenden. New Journalism was het stokpaardje van de excentrieke New Yorker Truman Capote, vooral bekend geworden van zijn roman Breakfast at Tiffany’s en zijn non-fictie journalistieke boek In cold blood. Hij ontwikkelde, samen met tijdgenoten als Tom Wolfe, een vorm van journalistiek die de focus niet meer legde op het verhaal, maar op de rol van de schrijver ín het verhaal, en brak daarmee door de barrière tussen journalistiek en literatuur. Journalistiek werd onder de paraplu van Capote veel meer dan slechts het optekenen van wat hij zag. Capote begreep dat waarheden en de werkelijkheid voor iedere lezer anders zijn, en dat objectieve, neutrale verslaggeving een illusie is. Dit probleem loste hij op door de lezer simpelweg zijn eigen werkelijkheid te bieden: dit is zoals ík het zie, maak ervan wat u wilt. Deze journalistiek is in potentie creatiever en authentieker, doordat de journalist nog slechts aan zijn eigen regels omtrent toon en stijl is gebonden.

Hunter Thompson
Hunter Thompson: oprecht en extreem
Voor Hunter Thompson was New Journalism alleen niet voldoende. Hij verwrong en verdraaide de realiteit, zocht het extreme en het absurde op en bood de lezer een kijk op de bizarre, psychedelische en magische kanten van de wereld om ons heen. Hulpmiddelen werden daarbij niet geschuwd: het bier schuimde, de bourbon vloeide rijkelijk en van Thompson’s spuit- en slikwerk kan BNN nog wat leren. Thompson leefde voor de ervaring en het optekenen van die ervaring, altijd de grenzen van de menselijke geest zoekende. De grote waarde van zijn werk: het zijn verhalen met karakter, oprecht en origineel en met een extreem hoge amusementswaarde.

Ryszard Kapuscínski
Ryszard Kapuscínski: cuturele barriéres
Van een hele andere orde, maar daardoor niet minder belangrijk, was Ryszard Kapuscínski. De twee jaar geleden overleden Pool was jarenlang de enige Poolse correspondent en werd in die hoedanigheid de belangrijkste vertolker van Participative Journalism. Kapuscínski bracht vrijwel zijn gehele volwassen leven door in het buitenland, in de tijd dat Afrika werd gedekoloniseerd, de Sovjetunie langzaam vermolmde en Latijns-Amerika het toneel werd van politieke onlusten, guerilleros en vuile oorlogen. Kapuscínski onderscheidde zich van al zijn vakgenoten door zijn obsessie met het doorbreken van culturele barrières. Zijn vuistregel was: om te begrijpen wat mensen meemaken, moet je het zelf meemaken. En dat is dan ook wat hij voortdurend deed. In Afrika werd hij in Nigeria overgoten met benzine en bijna levend verbrand door rebellen. In Angola reed hij zonder bescherming mee met soldaten in de burgeroorlog en bleef hij als enige buitenlander achter toen de hoofdstad Luanda verviel in blinde chaos. In Honduras lag hij met soldaten in de vuurlinie tijdens de Voetbaloorlog met El Salvador. Hoewel zijn stijl minder gestileerd en elitair was dan die van Capote en minder rauw dan die van Thompson, heeft hij met beide Amerikanen het inzicht gemeen dat een verhaal pas levend, pas betekenisvol wordt, als de schrijver zelf een hoofdrol daarin vertolkt.
Authenticiteit
Deze drie journalisten leren ons ook nu nog steeds dat authenticiteit de grootste toegevoegde waarde aan een verhaal is. En die notie is ook onder jongere journalisten niet onbemind. Neem Olaf Koens, correspondent voor onder andere de GPD in Moskou. Hij is een jonge correspondent die genoemde concepten begrijpt. Hij schrijft op zijn weblog: “Hunter S. Thompson deed het al in de jaren ’60. Met een neus voor een goed verhaal de massa-media het nakijken geven.” Ook de jonge blogger Ernst-Jan Pfauth filosofeerde onlangs hardop over een revival van Gonzo Journalism en riep lezers van zijn blog en volgers op Twitter op hem ideeën te sturen. Dat leverde een aantal aardige en enthousiaste suggesties op, die me het gevoel geven dat er nog steeds veel draagvlak is voor een dergelijke wijze van journalistiek.
Zelf ben ik vooral een voorstander van Kapuscínski’s werkwijze, al was het alleen maar omdat mijn schrijfstijl inferieur is aan die van Capote en ik Thompson’s voorliefde voor drank en drugs niet deel. Bij het lezen van zijn boeken smelt ik echter weg bij Kapuscínski’s avontuurlijke geest, onbevooroordeelde benadering van anderen, zijn behoefte de onvertelde verhalen echt tastbaar te maken en de lezer echt mee te laten leven met wat er in verre oorden gebeurt.
In een tijd waarin het slecht gaat met de journalistiek moeten we vernieuwen waar we kunnen. Behalve op tekstueel gebied. De belangrijkste vernieuwingen zijn namelijk al jaren geleden voor ons bedacht en uitgewerkt. Capote, Thompson en Kapuscínski bieden ons een goudmijn aan creativiteit, die nog steeds zeer waardevol is. Wie durft?
4 Comments
juli 2nd, 2009 at 17:10
Ik had tot vandaag nog nooit van de 3 bovengenoemde heren gehoord, maar ik wil nu al meer lezen over dhr. Kapuscínski!
juli 3rd, 2009 at 15:47
Ha Jan-Albert,
Deze vorm van journalistiek is nog steeds levend. Niet zozeer in Nederland, maar wel in de VS. In de NYT en de New Yorker vind je geregeld verhalen die verteld zijn vanuit de persoonlijke ervaring van de journalist. Het zijn vaak verhalen om je vingers bij af te likken. Lang, maar ook erg mooi. (Overigens kan ik Hunter Thompson niet uitstaan, vreselijke narcist die niet van zijn eigen pagina’s is af te slaan, Kapuscinski daarentegen….meesterlijk!).
Hoe langer ik in de VS verblijf, hoe meer ik zie dat de Nederlandse journalistieke cultuur behoorlijk magertjes is.
1) Je mag nooit echt lange verhalen schrijven, zo’n 2500 woorden is toch wel het maximum. Dat is jammer, want soms zijn verhalen zo mooi dat je echt alle details wil weten.
2) Het mag nooit vanuit je eigen perspectief zijn (al moet ik zeggen dat dat alleen kan als je als journalist daadwerkelijk iets te melden hebt, of over de nodige levenservaring beschikt).
3) En het mag nooit echt diep gaan. Als je bijvoorbeeld verhalen leest in de NYT of de New Yorker, dan wordt wetenschap daarbij vaak veel serieuzer in meegenomen, dus niet alleen de soundbites van wetenschappers, maar er wordt ook naar de data en veel scherper naar interpretaties gekeken. Wat vaak ook mooi is aan de Amerikaanse kwaliteitsjournalistiek is dat journalisten de achtergronden van op het oog alledaagse verschijnselen op waanzinnig interessante manier weten te presenteren.
Dus ja, ik ondersteun je betoog van harte. Tijd voor mooie, lange verhalen, over moeilijke onderwerpen, maar goed gebracht.
Een paar verhalen die me zo zijn bijgebleven:
http://www.newyorker.com/reporting/2007/01/08/070108fa_fact_gladwell
http://www.newyorker.com/reporting/2008/09/29/080929fa_fact_finnegan
http://www.nytimes.com/2009/01/04/magazine/04risk-t.html?_r=1&ref=magazine
juli 6th, 2009 at 14:42
Hoi Dimitri,
Hartelijk dank voor de toegezonden artikelen, ik vond met name het verhaal over de broers Twiggs erg indrukwekkend. Als ik het me goed herinner, heb ik ooit op televisie beelden gezien van Travis Twiggs (een home video), waarin hij dronken op dat familieweekend arriveerde.
Het subtiele gebruik van de ik-persoon in dat stuk geeft het net die extra dimensie die nodig is om het onderwerp tastbaarder te maken.
Overigens ben ik ervan overtuigd dat ook in Nederland een publiek is voor dergelijke verhalen. Hard Gras is immers ook jarenlang behoorlijk succesvol geweest!
Met groet,
Jan-Albert
augustus 27th, 2009 at 00:05
[...] jaren is er een soort wederopstanding van de veel aantrekkelijkere literaire non-fictie. En zelfs de roep om een terugkeer naar de tijden van subjectieve, participerende jaren ‘60 journalistiek als [...]
Leave a Reply